|
|
|
Programmatoelichting Jubileumconcert 2004
|
|
|
Voor deze jubileumeditie werd gepoogd een programma samen te stellen dat voldeed aan enkele criteria die het kamerkoor sinds jaren hoog in het vaandel draagt en die dan liefst in een synthese konden worden samengebracht tot een feestelijk programma.
Het gaat over volgende criteria:
1. Geen beperking van stijlperiode, wel een belangrijke plaats voor de 20e en 21e eeuw;
2. Kwalitatief hoogstaande muziek met (meestal) als gevolg hoge technische eisen voor de uitvoerders;
3. A capella repertoire neemt een belangrijke plaats in;
4. Regelmatige presentatie van vocaal werk in het Nederlands of van Nederlandse of Vlaamse componisten;
5. Combineren van het gekende repertoire met nieuwigheden of volslagen onbekende muziek;
6. Verras en vermaak het publiek, maar ook uzelf, m.a.w. zing of dirigeer muziek die je zelf graag zingt of dirigeert! Dit laatste is allicht het moeilijkste punt van de 6 want ieders smaak kan nogal eens verschillen!
Deze wensen werden voor vanavond als volgt ingewilligd:
1. We brengen werk uit de renaissance met onze lokale Danckerts, daarnaast is de romantiek vertegenwoordigd met de jarige Dvorák en komt de 20e en 21e eeuw ruim aan bod met de Belgische Nees, de 75-jarige Tsjech Eben en de beloftevolle Blaha, zanger uit eigen rangen.
Het koperkwintet van vanavond speelt in dezelfde lijn werk van Henry VIII naast composities van Debussy en de Nederlander Koetsier.
2. De technische eisen liggen in dit programma zeer hoog: het legato in Danckerts, Dvorák en ook deels in Nees en Blaha dient te worden gecombineerd met een verschillend soort vibrato; in alle werken zijn de ritmische en vokale eisen niet te onderschatten; bovendien gaan sommige van de stukken tot achtstemmigheid; beslist geen sinecure voor een klein koor;
3. Met Danckerts en de creatie van Blaha schuwt het koor a capella werk, het moeilijkste van de zangkunst, niet!
4. Met Danckerts, Steketee (bewerker van Debussy), Nees, Blaha, Peter van den Ouden (tekstschrijver voor creatiewerk) en Koetsier zijn de Nederlandssprekenden meer dan vertegenwoordigd!
5. Buiten de bekende mis in D van Dvorák, uitgevoerd op de uitvaart van koningin Juliana, zijn de werken weinig tot volslagen onbekend. We hebben niet kunnen terugvinden of de feestelijke Missa 'Cum populo' van Eben ooit in Nederland of België is uitgevoerd. Over het bekomen van de bladmuziek, gepaard gaande met bloed, zweet en tranen, kan ik een apart artikel schrijven!
Het achtstemmige stuk van Danckerts is waarschijnlijk sinds de 16e eeuw nauwelijks uitgevoerd! De Psalm 150 van Blaha is éénmaal uitgevoerd, vorig jaar in Kapelle, zijn ander werk wordt vanavond gecreëerd, zelfs de tekst hiervan is nieuw!
6. De muziekkeuze past uiteraard in de sfeer van een gevierde: de nadruk ligt op het uitbundige! De keuze van een organist en koperblazers is hier niet vreemd aan. De werken van Nees en Eben zijn waarlijk pareltjes van de combinatie koper en koorzang. De beperkte inbreng van slagwerk versterkt het feestelijk aspect nog.
Lieven Deroo, dirigent.
*
Over de componisten
Ghiselin Danckerts werd geboren te Tholen tussen 1505 en 1515. Dit concludeert men uit het feit dat hij als zanger bij de pauselijke kapel te Rome debuteerde in 1538. Hij diende daarvoor een grondig examen te passeren , allicht onder het strenge oog van bekendheden als Costanzo Festa en Cristóbal de Morales. Daarvoor had hij als klerk gediend aan de diocese van Luik.
Bijna 30 jaar diende hij in de pauselijke kapel, eerst als tenor, nadien als 'punctator 'en 'abbass', eerder vooral administratieve functies, waarschijnlijk omdat hij sinds 1560 sukkelde met zijn gezondheid. Zo is bekend dat hij in 1563 de solfer-modderbaden in Tivoli bezocht. Deze stonden bekend voor hun heilzame werking voor reumapatiënten.
Na 1565, als gevolg van het Concilie van Trente, kreeg het pauselijke koor een doorlichting en de commissie besloot dat Danckerts een prima muzikant was maar geen stem meer had. Bovendien bleek dat hij immens rijk was, van de vrouwtjes hield en vooral nutteloos was omwille van een zwakke gezondheid! Bijgevolg werd hij bedankt voor bewezen diensten, hoewel blijkt dat hij nadien nog af en toe de gelederen kwam versterken. Een laatste vermelding van zijn naam in de pauselijke archieven was in 1567. Misschien was dit ook zijn laatste levensjaar!?
Ook als theoreticus was Danckerts een naam in zijn tijd. Er woedden heftige discussies over de evolutie van de muziek van die tijd. De gekende en vernieuwende componist Nicola Vicentino ijverde voor het gebruik van chromatiek in de muziek, een stroming die daarna vele opvolgers zou krijgen en die we als de madrigalisten kunnen duiden. Danckerts speelde voor scherprechter in dit debat en bleek hierin de kant van de conservatieven te kiezen.
Als componist moet hij een behoorlijke productie hebben gehad; jammer genoeg zijn ons slechts 6 composities zijnde, 5 motetten en 1 madrigaal overgeleverd, allen van een degelijk vakmanschap getuigend.
In 'Laetamini in Domino' gebruikt hij een bestaande cantus firmus (cf) in lange notenwaarden, -een soort rode draad- in de tweede stem. Deze herhaalt de melodie in de kwintligging, waarna ze nogmaals in de oorspronkelijke ligging wordt gezongen. Ondertussen spinnen de andere zeven stemmen hierrond een polyfoon web van bewegende stemmen die slechts sporadisch tot rust komen. Enkel in het begin en op de woorden 'oremus' (laten we bidden) en 'quesumus' (wij smeken) neemt hij wat gas terug. Een mooi, vokaal goed geschreven werk, volledig in de traditie van zijn tijdgenoten. Voor de cf gebruikt hij een andere tekst.
Antonín Dvorák. De vader van Dvorák was slager-herbergier in Nelahozeves, een onooglijk dorpje in Tsjechië. Als oudste zoon geboren op 8 september 1841, was Antonin ook voorbestemd voor het slagersvak. Maar de vioollessen die hij van de dorpsonderwijzer gekregen had, bevielen zo goed dat hij in 1857 als muziekstudent naar Praag trekt. Hij houdt er zich in leven door in allerlei orkestjes van verschillend allooi te spelen. In 1862 is hij altist in het Nationaal Theater. Hij huwt de goudsmidsdochter Anna Cerkowa in 1873.
Door zijn eerste successen als componist, en de vriendschap en bescherming van Brahms en Tschaikovsky, wordt hij compositieleraar aan het Conservatorium te Praag, organist aan de Sint-Adalbertuskerk en ontvangt een Oostenrijkse staatsbeurs (in de jury zetelden o.a. Brahms en Hanslick!). Toen kwam, bijna automatisch, de belangstelling uit het buitenland: beroemde orkesten nodigden hem uit om eigen werk te komen dirigeren. Hij wordt doctor honoris causa aan de universiteiten van Cambridge en Praag en hij wordt aangezocht als directeur van de pasgestichte "National Conservatory of Art" te New York. Voor die laatste betrekking worden hem vorstelijke bedragen aangeboden en na lang aarzelen beslist hij samen met zijn familie toch maar de grote stap te zetten.
Zijn eigenaardige maniakale interesse voor locomotieven (hij noteerde in het station van Praag alle types met nummer en uurrooster!) werd vervangen door die voor stoomschepen in de Newyorkse haven; de duiven in de bossen uit Tsjechië door die van het enorme Central Park. Verder werd zijn heimwee verdreven in het door Tsjechische kolonisten gebouwde dorpje Spilville in de staat Iowa. In 1894 loopt zijn contract in Amerika ten einde en hij keert terug naar Bohemen. In 1901 wordt hij artistiek directeur van het Praags Conservatorium. Nog enkele jaren kan hij hard werken, alvorens te sterven op 1 mei 1904.
Tot zijn bekendste werken behoren zijn negende symfonie 'Uit de Nieuwe Wereld', zijn Slavische dansen en zijn onovertroffen celloconcerto. Ook zijn Stabat Mater, Requiem en Mis in D, ook de Orgelmis genaamd, waarvan we vanavond het Kyrie en Gloria brengen, mogen er zijn. Het vakmanschap dat hij tentoonspreidt is dat van een Bach en Brahms, zijn muziek zindert van energie en zin voor het melodieuze.
Een waardig jubileumstuk van een componist waarvan we graag de 100ste sterfdatum herdenken.
Huug Steketee, geboren in Zeeland, studeerde aan het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam bij Klaas Kos. Tevens ontving hij privé-lessen van Willem van der Vliet en Pierre Thibaud in Parijs.
Van 1982 tot 1986 was hij solotrompettist van het Noordhollands Philharmonisch Orkest. Sinds 1986 is hij als solotrompettist aan het Residentie Orkest verbonden. Als solist trad hij met het Residentie Orkest op in onder meer het Trompetconcert van Hummel en in het Trompetconcert van Haydn tijdens het Prinsjesdagconcert op 19 september 2000. Huug Steketee is docent aan het het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.
Huug Steketee is sinds enige jaren ook als componist actief. Enkele van zijn composities zijn vastgelegd op twee cd's, met werken voor trompet en harp en werken voor brassband
Vic Nees werd op 8 maart 1936 geboren te Mechelen (B). Zijn vader was de beiaardier Staf Nees. Hij studeerde aan het Antwerpse Conservatorium en behaalde de prijs-De Vleeshouwer in de compositieklas van Flor Peeters. Hij kreeg een regeringsbeurs om zich in Duitsland bij Kurt Thomas te vervolmaken in de koordirectie. In 1961 werd hij producer voor koormuziek bij de Belgische radio en televisie. Aan dat instituut was hij van 1970 tot 1996 als dirigent van het radiokoor verbonden. Hij was gastdirigent in Nederland, Ierland, Spanje, Hongarije en Venezuela, vaak met eigen composities.
Vic Nees speelt een belangrijke rol in de amateurkoororganisaties. Hij wordt gevraagd als jurylid voor internationale koorfestivals (Arezzo, Arnhem, Cork, Let the peoples sing, Maasmechelen, Malta, Neerpelt, Tours, Trento, Varna). Hij is consulent bij de Europese Federatie van Jonge Koren (EFJC).
In 1973 kreeg hij de Eugène Baie-prijs voor zijn compositorisch werk en in 1990 de A.G.E.C.-prijs voor 'Regina coeli - Blue be It . Andere prijzen: Fuga trofee van Sabam (1993), Visser Neerlandiaprijs (1995) en Vondelprijs (1995), Ere-penning Marnixring 2000. Vic Nees werd in 1994 verkozen tot corresponderend lid en in 1998 tot werkend lid van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten. Hij is auteur van talrijke artikelen over musici en koormuziek.
Buiten een paar kamermuziekwerken voor strijkers en blazers is zijn compositorisch werk uitsluitend gewijd aan de vocale muziek. Hij kent dan ook het koor door en door. Dit vocale apparaat heeft voor hem geen geheimen. Hij exploreert de mogelijkheden en kent de grenzen. Een tekst weet hij naar zijn diepste gronden te peilen en hij beschikt over een feilloos metier. De ideeën zijn fris en origineel.
Inmiddels is Vic Nees het boegbeeld van de Vlaamse koormuziek geworden. In 'Veni Sancte Spiritus' laat hij zijn veelzijdigheid zien: hij schrijft op maat van een koperkwintet en laat dat perfect versmelten met het gemengd koor
Christian Blaha, in 1972 geboren, kreeg zijn eerste muzikale impulsen vanuit zijn ouderlijk huis aangereikt, waarna hij vanaf zijn zevende jaar pianolessen ontving van Gé Audenaerdt en Leen de Broekert aan de Zeeuwse Muziekschool te Middelburg.
Na zijn middelbare schoolopleiding studeerde Christian Compositie aan het Conservatorium te Tilburg bij Alexander Hrisanide. Deze studie sloot hij cum laude af. Aan ditzelfde instituut studeerde hij tevens aanvankelijk enkele jaren Piano bij Joop Albracht en Paul Komen. Gaandeweg ging zijn interesse steeds meer uit naar het vak dirigeren waarna hij de studie Koordirektie begon bij Martien van Woerkum en afsloot bij Louis Buskens. Tijdens zijn conservatoriumopleidingen ontving hij geruime tijd orgel- en zanglessen van respectievelijk Bram Beekman en Frans Fiselier. Tevens volgde hij privé-lessen zang en direktie bij Hans Smout te Bergen op Zoom.
In 2001 werd Christian laureaat van de Muziekprijs Gemeente Hilvarenbeek.
Als componist heeft hij werken voor uiteenlopende bezettingen en verschillende gelegenheden geschreven. Deze werden o.m. uitgevoerd tijdens het Festival van Vlaanderen, het Brabants Componisten Festival, de Korenmanifstatie van de Zuidelijke Nederlanden, Festival Nieuwe Muziek te Middelburg en het Zeeland Nazomerfestival. Tot de uitvoerenden behoorden o.a. het Nederlands Promenade-orkest, het Hieronymus Trio, Pianoduo Post/Mulder, de pianisten Marcel Worms en Jan Willem Rozenboom, organist/pianist Rien Balkenende, Zebrass, het Zeeuws Vocaal Ensemble, het Middelburgs Kamerkoor en het Zeeuws Jeugdorkest. In de loop van dit- en komend jaar zullen het Middelburgs Kamerkoor, het Zeeuws Philharmonisch Koor en ook Het Zeeuws Orkest werken uitvoeren die hij voor hen in opdracht geschreven heeft.
Als dirigent is Christian o.a. verbonden aan het Zeeuws Mannenkoor en het Kuiperspoort-Orkest. Daarnaast dirigeert hij op free-lance basis theaterproducties en is hij actief als kerkmusicus.
Hieronder geeft Christian Blaha zelf een toelichting op zijn beide composities die vanavond worden uitgevoerd.
In het jubileumkoorwerk 'Muziek, vanuit de kelen' dat ik voor het Middelburgs Kamerkoor heb gecomponeerd, liet ik mij in eerste instantie leiden door de voor deze gelegenheid speciaal geschreven inspirerende tekst, van de Middelburgse dichter Peter van den Ouden. Hierin meende ik een tweeluik te herkennen. Namelijk: een aarzelende, naar een soort oerbegin neigende opening, gevolgd door een uitbundig, eruptief tweede deel. Dit heb ik gestalte proberen te geven in noten.
In het begin wordt de muziek geboren (dit vanuit de diepste regionen van bas en alt vormgegeven). Daarna wordt zij beetje bij beetje gewekt (te herkennen aan de delicate 'lokroepen' van tenor en sopraan op het woord muziek) en aangespoord zich te organiseren (op de tekst: Wordt partituur voor koor, van open mond naar oor.). Dit proces gaat met menige barenswee gepaard (te horen aan de schurende dissonanten die tussen de stemmen ontstaan), alvorens uit te monden in een breed (6-stemmig) akkoord.
Het tweede, zogenaamde uitbundige gedeelte (beginnend met de tekst : Een vogel op de wind) wordt gekarakteriseerd door een opgaande ritmische beweging, die aan een opfladderende vogel of een windzucht doet denken. Deze beweging, voortkomend uit de tenor, wordt door de sopraan overgenomen en spreidt zich vanaf de woorden 'Geest die diep doet ademhalen' verder uit over de stemgroepen. Bij deze tekst krijgt de sopraan de hoofdmelodie toegespeeld die van het openingsthema van de bas is afgeleid. De tekst suggereert hoogten en diepten, die in de toonomvang (van ruim anderhalf octaaf) en dmv. de woord/toon keuze (des1 op 'dalen'; as2 op 'wind') gestalte krijgt. De bas zorgt vanaf het begin van dit deel voor een beetje statigheid, door langere tijd een orgelpunt (=liggende toon) te zingen. Hij begint vanaf het woord 'veelstemmig' in neerwaartse lijn te bewegen. De pendeling van de bas vanaf het woord 'Geest', samen met bariton en tenor tussen de noten f en ges, zorgt weer voor een bepaalde harmonische stilstand die gaandeweg door grotere beweging overwonnen wordt. Het tweede gedeelte eindigt, net als het eerste, in een breed
(8- stemmig) accoord.
De voortzetting van het stuk is tevens een herhaling. De verschillen die hier optreden hebben vooral betrekking op de intensivering van de middelen.
Psalmus CL (Psalm 150) vormt een onderdeel van de verzameling der zogenaamde lofpsalmen (waarbij o.a. ook de psalmen 144 t/m 148 behoren). Bij lofprijzing
denken wij in de eerste plaats aan uitbundigheid, maar zij kan tevens tot uiting komen in een meditatieve sfeer. Deze twee contrasten kunnen elkaar op een uitstekende wijze aanvullen en zo een eenheid vormen. Het is daarom dat het dynamische, uitbundige element enerzijds en het statische, meditatieve, quasi bewierookte element anderzijds de ingredienten vormen voor mijn toonzetting.
De eerste versie dateert van eind 2002/ begin 2003 en is voor kopertientet (4 trompetten, hoorn, 4 trombones en tuba), pauken en gemengd koor gecomponeerd.
De tweede, nu klinkende versie die speciaal voor dit jubileumconcert is vervaardigd, maakt gebruik van een koperquintet (2 trompetten, hoorn, trombone en tuba),
pauken en slagwerk. Het koper is dus om de helft gereduceerd en staat zo in betere balans met een kamerkoor.
Petr Eben. De Tsjech werd geboren in 1929 te Zamberk en studeerde compositie en piano aan het Conservatorium te Praag. Zijn muziekopleiding werd evenwel verstoord door de Duitse Bezetting en als gevolg van zijn weigering om mee te werken, bracht hij de twee laatste jaren van de oorlog in een concentratiekamp door. In 1948 hervatte hij zijn pianostudies te Praag en vanaf 1954 begon zijn carrière als leraar, pianist en organist. Hij doceerde aan de universiteit te Praag en gaf compositie te Manchester. Hij verwierf grote faam als improvisator op orgel en piano, waarmee hij de wereld rondreisde. Zijn voornaamste activiteit is echter het componeren, waarbij zijn belangrijkste inspiratiebronnen het gregoriaans en de volksliederen zijn. Hij schrijft voor de meest uiteenlopende bezettingen, wordt wereldwijd als een groot hedendaags componist geëerd en werd hiervoor ook gekroond tot 'Chevalier des arts et des lettres' en ontving hij tweemaal een eredoctoraat, in Manchester en in Praag.
Zijn 'Missa cum populo' schreef hij in opdracht van het Festival van Avignon in 1982.
Doorheen zijn werk is de invloed van zijn renaissancistisch geboortedorpje, zijn humanistisch gedachtegoed en zijn internering in een concentratiekamp hoorbaar. Dat uit zich in een combinatie van meditatie en moraliteit. Zijn muziek is dwingend wat o.a. wordt bekomen door veelvuldig gebruik van octaven, strakke ritmes en onregelmatige afstanden in de homofone melodievorming maar vooral het gebruik van een volkskoor dat de teksten van de misdelen voortdurend herhaalt - zingend of scanderend - heeft een bezwerend effect, waaraan niet te ontkomen valt! Tegelijk betovert hij met de kleuren die hij bekomt met zijn akkoordwendingen en combinaties van instrumenten met de zangstemmen het publiek.
|
|
|
|
|
Toelichting aan de koorleden door
Christian Blaha
(toenmalig lid van het koor) op zijn compositie "Muziek, vanuit de kelen"
In het opgedragen jubileumkoorwerk ‘Muziek, vanuit de kelen’ voor het Middelburgs Kamerkoor heb ik mij in eerste instantie laten leiden door de inspirerende tekst die Peter van den Ouden geleverd heeft. Hierin meende ik een tweedeligheid te herkennen, namelijk een aarzelende, naar een soort oerbegin neigende opening, gevolgd door een uitbundig, eruptief tweede deel. Dit tweeluik heb ik proberen vorm te geven in noten.
In het begin wordt de muziek geboren (dit vanuit de diepste regionen van de bassen en alten vormgegeven); daarna wordt zij zachtjes wakker geschud, aangespoord zich te organiseren (te horen aan de ‘lokroepen’ van tenor en sopraan vanaf letter B) en zich in de dwangbuis van de partituur te begeven. Dit kost aanvankelijk wat moeite (zie de schurende werking van alt en bas (vanaf letter C) die de noten c en des tegen elkaar wrijven), maar mondt dan uit in een breed 6-stemmig akkoord.
Het tweede, zogenaamde uitbundige gedeelte wordt gekarakteriseerd door een opgaande ritmische beweging, die aan een opfladderende vogel of een windzucht doet denken. Deze beweging, voortkomend uit de tenor wordt door de sopraan overgenomen en spreidt zich vanaf de woorden ‘Geest die diep doet ademhalen’ verder uit over de stemgroepen.
Vanaf letter F heeft de sopraan een hoofdmelodie (afgeleid van de openingsmelodie van het stuk in de bas), die de tekst globaal tot uitdrukking probeert te brengen. Deze suggereert hoogten en diepten die in de toonomvang (van ruim anderhalf octaaf) en de woord/toon keuze (lage des op ‘dalen’; hoge as op ‘wind’) in de sopraan vormgegeven is.
De bas zorgt vanaf het begin van dit deel (dus vanaf letter D) voor een beetje statigheid, door langere tijd een orgelpunt (=liggende toon) op de noot f te zingen. Hij begint vanaf het woord ‘veelstemmig’ in neerwaartse lijn te bewegen en eindigt een octaaf lager, dus weer op een f. De pendeling van de bas vanaf het woord ‘Geest’ (letter F), samen met bariton en tenor tussen de noten f en ges zorgt weer voor een bepaalde harmonische stilstand die gaandeweg door grotere beweging overwonnen wordt alvorens te eindigen op een C akkoord in maat 88.
De gehele voortzetting van het stuk is eigenlijk een herhaling met natuurlijk wel een paar belangrijke verschillen, te weten:
* De melodie met tekst die de bas zong in de opening van het werk, is vanaf letter G tot H uitgesmeerd over de drie bovenstemmen (Bij het instuderen doemden terecht associaties op met de strip eenden Kwik, Kwek en Kwak. Deze maken zoals hier ook gebeurde, zowel gebruik van ‘de techniek van het aangevulde woord’ als van ‘de techniek van de aangevulde lettergreep’).
* Vanaf letter K komt de alt vroeg in beweging. Zij zorgt samen met de tenor voor een ‘perpetuum mobile’.
* De bas stapt vlugger af van zijn eerder genoemde orgelpunt en gaat aan de wandel, wederom in neerwaartse beweging.
* De sopraan deelt zich op vanaf letter M en maakt om de beurt omspelingen van de hoofdmelodie.
* De gehele ritmische intensivering neemt naar het einde, door alle stemmen heen toe.
* Het werk eindigt in een ‘open’ F9 akkoord (zonder de terts a, maar met de none g erbij).
Ik hoop dat jullie het werk met zoveel plezier zullen zingen, als ik het heb mogen componeren!
Voorjaar 2004
Christian Blaha
|
|
|